In de klauwen van de uitgever

In de schijnbaar degelijke wereld van de wetenschappelijke tijdschriften zijn steeds meer predators actief: handige jongens die onderzoekers een betaalde publicatie los proberen te kletsen. Wetenschappers vragen zich af welke nieuwe journals ze nog kunnen vertrouwen.

Tekst: Rob Ramaker
Illustratie: Pascal Tieman

Predatory publishers, of rooftijdschriften, ontstaan in het kielzog van succesvolle open access (OA)-bladen zoals PLoS ONE. OA-bladen lees je gratis, maar auteurs betalen een publication fee. Je kunt dus zo’n tijdschrift oprichten en de vergoeding incasseren zonder te investeren in zaken als peer review, betrouwbare archivering en redacties. Natuurlijk waren er altijd al slechte bladen, zegt informatiespecialist Wouter Gerritsma, maar het internet verergert dit: ‘Het is veel gemakkelijker geworden om een uitgever te zijn. Je hoeft maar een site te hebben en je kunt artikelen publiceren als pdf.’ Inmiddels zijn er wereldwijd honderden wetenschappelijke tijdschriften waarvan de kwaliteit en de intenties op z’n minst discutabel zijn. Voor een publicatie vragen ze bedragen die variëren van enkele honderden, tot meer dan duizend euro.

Ook Wageningse onderzoekers laten zich soms om de tuin leiden. Zo publiceerde Paul Struik, hoogleraar Gewasfysiologie, vorig jaar twee papers in tijdschriften van predatory publisher Academic Journals. Daar kijkt hij nu met veel spijt op terug, zo laat hij weten. ‘De kwaliteit van de opmaak was slecht en het was moeilijk wijzigingen door te krijgen. Bovendien waren ze enorm agressief bij het innen van betalingen. Ik heb tien keer een aanmaning gehad en tien keer hetzelfde bewijs van betaling gestuurd.’ Na publicatie blijkt Struik bovendien op een lijstje van reviewers te staan. Zijn mailbox vult zich daarna met een ‘onbedaarlijke brei’ van manuscripten.

‘De kwaliteit van de opmaak was slecht en het was moeilijk wijzigingen door te krijgen. Bovendien waren ze enorm agressief bij het innen van betalingen.’

Andere onderzoekers maken bewust gebruik van het laagdrempelige karakter van de vele nieuwe journals. Dan kan het bijvoorbeeld een plek zijn om onderzoek met tegenvallende uitkomsten te publiceren. ‘Ik had nog een inleidend hoofdstuk uit mijn proefschrift waarin niet zoveel nieuws stond,’ vertelt onderzoeker Roland Melse. Een nieuw OA-blad wilde het plaatsen zonder noemenswaardige aanpassingen. ‘Nu had ik het toch niet voor niets geschreven.’ Volgens Google Scholar heeft het inmiddels wel dertien verwijzingen, zegt Melse.

Sommige onderzoekers verbazen zich erover dat hun artikelen opduiken aan de dark side. Zo zegt onderzoeker Hans Stigter nooit permissie te hebben gegeven voor de publicatie van een artikel dat met zijn naam erbij in dubieus tijdschrift staat. Anderen hebben echter geen enkele zin om uit te wijden over hun ‘dubieuze’ publicaties. Ze mailen knorrig terug dat PhD’s contact hadden met deze tijdschriften of dat ze niets met een publicatie van doen hadden.

roofuitgever

LOKKERTJE
Om argeloze wetenschappers binnen te lokken, is het voor predators belangrijk om vertrouwen uit te stralen. Hoe kun je dat beter bereiken dan met klinkende namen uit het wetenschappelijk veld? Uitgevers spammen wetenschappers dan ook voortdurend met het verzoek om in hun redactie plaats te nemen. Een handvol Wageningers hapte toe.

Universitair hoofddocent fytopathologie Bart Thomma accepteerde in 2007, toen mailings nog zeldzaam waren, een positie bij The Open Plant Science Journal. Tot dusver heeft hij nog geen werk gedaan en heeft dus negatieve noch positieve ervaringen. Doorslaggevend voor zijn toezegging was de aanwezigheid van een gewaardeerde vakgenoot. Een gang van zaken die voor buitenstaanders misschien naïef lijkt, maar Thomma geeft aan dat ook voor gevestigde tijdschriften informele contacten en reputaties belangrijk zijn. Een cv is overbodig omdat je gepubliceerde werk het echte uithangbord is. ‘Misschien is het inderdaad naïef en heb ik me laten “imponeren” door de namen op de lijst,’ zegt Thomma nu.

Ook voor hoogleraar Organische chemie Han Zuilhof draait een ervaring als editor uit op een kater. ‘Via een mailtje werd ik benaderd door OMICS, met verwijzing naar een respectabele en bevriende collega van het Weizmann Institute’, zegt Zuilhof. Aarzelend zegt hij toe editor te worden, maar al snel ontstaan er twijfels. ‘De genoemde impact factor van een al langer bestaand OMICS-blad bleek fictief en ook kreeg ik geen artikelen te reviewen.’ Als Zuilhof geen antwoord krijgt op een vragen is de maat vol. Hij stapt op zonder ooit een paper te hebben gezien. OMICS pronkt ondertussen nog steeds met hem als editor.

Bibliothecarissen hebben ondertussen hun handen vol aan het uitfilteren van en waarschuwen voor predators. ‘Of een uitgever betrouwbaar is, is vaak een beetje gut feeling ’ zegt Wouter Gerritsma. Zelf vraagt hij onderzoekers naar hun publicatie-ervaringen bij verdachte bladen. Bovendien vallen ze vaak door de mand door hun onprofessionele sites. Neem de World Science Publisher (Motto: Make easy publication) waarvan de website een gratis blog is dat volstaat met spelfouten.

‘Of een uitgever betrouwbaar is, is vaak een beetje gut feeling’

BEALL’S LIST
Gerritsma is wel bang dat rotte appels de reputatie van het veelbelovende open access verpesten. Volgens hem moet er daarom snel een objectieve meetmethode komen om goede van slechte journals te onderscheiden (zie kader). In afwachting daarvan geldt de Amerikaanse bibliothecaris Beall als belangrijkste autoriteit. Zijn lijst (Beall’s list) is op dit moment de beste indicator om de betrouwbaarheid van een uitgever vast te stellen.

Beall vindt echter dat onderzoekers ook zelf moet leren om bedrog te doorzien. Ze zouden de verleiding van de supersnelle publicatie moeten weerstaan, en uitkijken met wat ze lezen en citeren. Want de onvoorspelbare en lage kwaliteit van peer review in rooftijdschriften schept veel ruimte voor wangedrag, zoals plagiaat.

Maar juist die klunzigheid biedt ook de gelegenheid om rovers te ontmaskeren. Zo wist de Amerikaanse publicatiespecialist Phil Davis een artikel gepubliceerd te krijgen dat bestond uit een door de computer gegeneerde woordenbrij. Dus als je binnenkort eens een druilerige herfstmiddag over hebt, kan ook jij de afsnijroute naar een academische carrière proberen. En misschien sta je binnenkort wel in, jawel, de Antarctica Journal of Mathematics.

Roofdieruitgevers door de mand
Predatory tijdschriften kunnen geld verdienen omdat ze opgaan in de enorme hausse aan nieuwe open acces-tijdschriften. De kwaliteit van deze bladen is moeilijk objectief te vergelijken. Wetenschappers gebruiken daarvoor het gemiddelde aantal citaties (impact factor), maar dat cijfer is pas na drie jaar te berekenen. Onder leiding van Leo Waaijers, voormalig bibliothecaris in Wageningen, bedenkt ICT-organisatie SURF daarom een nieuwe methode. Daarbij wordt uitgegaan van de kwaliteit van de peer review. Is die bijvoorbeeld transparant? Is het proces nauwkeurig omschreven en is het oordeel zo objectief mogelijk? Deze informatie hoort op tijdschriftsites te staan. Bij een bijeenkomst werd onlangs de proef op de som genomen. ‘Dat ging opmerkelijk goed,’ zegt Waaijers, ’de predatory tijdschriften vielen meteen door de mand.’ Het instrument neemt tevens het bezwaar weg dat de waarschuwingslijst van Beall subjectief is. Begin volgend jaar wordt het project afgerond. De uiteindelijk vorm is nog niet duidelijk maar zou een app kunnen zijn.

Resource, 15 november 2012 (link)