De strijd om de Veni

De Veni-beurs is voor jonge wetenschappers hét ticket naar een wetenschappelijke carrière. De weg naar een Veni is dan ook een stressvol traject, dat voor 85 procent van de aanvragers voortijdig eindigt. Resource volgde zes maanden lang drie Wageningse kandidaten en maakte het verlossende moment mee van de definitieve uitslag.

Tekst: Rob Ramaker
Foto’s: Guy Ackermans

Niels Verhulst

De top bereiken is vrijwel overal een subtiel spel waar onduidelijke vaardigheden en schimmige tactieken de hoofdrol spelen. Zo niet in de academische wereld. Hier is de weg omhoog duidelijk uitgestippeld in afgebakende treden: PhD, postdoc, UD, UHD en hoogleraar. Bij de onderste twee categorieën vindt de belangrijkste schifting plaats: van de postdocs komt uiteindelijk maar een derde in een vaste academische functie terecht.

Het beste ticket naar zo’n functie is een Veni-beurs van NWO. Met dit bedrag betaal je je eigen onderzoek en ben je dus enkele jaren verzekerd van werk. Dat betekent ook weer een stap dichter bij een vaste universitaire functie, die uiteindelijk kan leiden tot het hoogleraarschap.

De strijd om de Veni’s wordt elk jaar heftiger en dat beseffen jonge wetenschappers maar al te goed. De aanvraag is dan ook een zenuwslopende exercitie die de kandidaten acht maanden lang voortdurend op de proef stelt. Hoe beleven zij zelf dit proces, waarvan de uitkomst zo’n belangrijk stempel gaat drukken op hun toekomst? Resource keek dit jaar mee met drie wetenschappers op jacht naar een Veni.

December 2012. De kandidaten
Colette Broekgaarden, biologe bij Plantenveredeling, strijdt voor de derde keer mee. De eerste twee keer viel ze meteen af. Zeker in 2010 kwam dat hard aan omdat ze zich inmiddels Veni-rijp schatte. ‘Ik zou het heel erg vinden als ik dit jaar ook niet door de eerste ronde kom’, zegt ze. De biologe wil gaan onderzoeken hoe het plaaginsect witte vlieg de afweer van planten onderdrukt.

Ook entomoloog Niels Verhulst zoekt revanche. Vorig jaar kreeg hij uitmuntende beoordelingen voor zijn plan te bekijken of muggen malaria overbrengen van mensapen naar mensen. Zijn droom spatte echter uiteen tijdens de presentatie: ‘Ik kreeg meteen een rare discussie met één professor. Ik verwachtte haar vraag en had zelfs een paar slides voorbereid. Inkoppertje dacht ik, maar zij snapte mijn punt niet en ik kon het haar niet duidelijk maken.’ Exit Veni. Dit jaar gaat hij het opnieuw proberen.


Niels Verhulst (1979), Entomologie

Niels Verhulst

CV
Postdoc, Entomologie, WUR, 2010 - heden
PhD-student, Entomologie, WUR, 2006 - 2010
Onderzoeker/Analist, WUR/Tropenzorg/ Plantenziektekundige Dienst, 2004 - 2006 Studie, Plant Breeding and Crop Production, WUR 1997 - 2003

HET PROJECT
De malariaparasiet vind je behalve in mensen ook in mensapen. Het is echter onbekend of muggen deze ook heen en weer overdragen. Op die vraag wil Niels Verhulst een antwoord vinden. Mocht Verhulst zijn beurs krijgen, wil hij dit op verschillende manieren onderzoeken. Zo is hij benieuwd of Anopheles gambiae, de mug die de gevaarlijkste malariaparasiet verspreidt, geuren van mensen en mensapen onderscheidt. Met geurproeven, in het laboratorium en in Afrika, wil hij muggen laten kiezen tussen de geur van apen of een menselijke geur.

DE MENS
‘Waarom ik wetenschapper wilde worden? Het is misschien een cliché, maar ik heb het altijd interessant gevonden uit te zoeken hoe iets werkt. Bovendien doe ik graag onderzoek met een vrij directe toepasbaarheid. Ik zou het moeilijk vinden om aan iets vreselijk fundamenteels te werken. Eerder heb ik geholpen bij het ontwikkelen van geurstoffen die muggen aantrekken. Als ik nu in Afrika zo’n geurval zie hangen denk ik: “Daar gaat het om”. In de toekomst zou ik heel graag in het onderzoek blijven. Wil ik hoogleraar worden? Als dat inhoudt: les geven en onderzoek begeleiden, dan is het antwoord een volmondig ja.’


Voor innovatieonderzoeker Frans Hermans is het wel de eerste poging. Hij wil gaan bekijken hoe het discours, de ‘taal’ die botsende kampen gebruiken in wetenschappelijk debat, verandert onder invloed van schuivende relaties tussen betrokkenen. Om zijn kans te vergroten, volgde Hermans een voorbereidingscursus en vormde met andere kandidaten een schrijfgroepje. Ondanks die hulp worstelde hij met zijn voorstel: ‘Je loopt heel lang te zwemmen.’ Toch is hij tevreden met het eindresultaat en zelfs als het wordt afgewezen ‘was het een nuttige exercitie.’ Ook bij Broekgaarden, die dezelfde cursus volgde, verliep het proces moeizaam: ‘Er zijn regelmatig momenten dat je denkt dat het helemaal niets wordt.’ Achteraf is ze tevreden: ‘Ik heb nu het gevoel dat ik alles heb gedaan wat ik had kunnen doen.’

Voor Verhulst verliep het schrijven veel eenvoudiger. Hij heeft zijn oude voorstel gepolijst en opnieuw ingestuurd. Over zijn eigen kansen uit hij zich voorzichtig: ‘Die kan ik een stuk beter inschatten als ik de beoordelingen straks krijg.’

Frans Hermans

De drie Wageningers horen bij de ruim duizend onderzoekers in Nederland die een voorstel insturen. Uiteindelijk krijgen 155 van hen de beurs, circa 15 procent. Hen wacht een bedrag van 250 duizend euro waarmee ze drie jaar in betrekkelijke vrijheid kunnen werken. Na de invoering van de Veni in 2002 lag het succespercentage voor de aanvragers nog rond de 25 procent. Vanaf 2008 zakte het echter langzaam maar gestaag tot de 15 procent die het nu is. Hoewel financier NWO juist meer Veni’s is gaan uitdelen stijgt het aantal aanvragers nog veel harder. Daardoor vallen steeds meer PhD’ers en postdocs buiten de boot.

Opvallend aan de Veni – en navolgers Vidi en Vici – is dat ze persoonlijke beurzen zijn. Niet alleen wordt beoordeeld of het een goed idee is, maar onderzoekers horen ook of zij goed genoeg zijn het onderzoek te verrichten. ‘Dat is best wel heftig,’ zegt Broekgaarden. ‘In een afwijzingsmail word je eigenlijk best wel afgekraakt: Niet genoeg publicaties, niet genoeg internationale ervaring, je cv is middelmatig.’ Ook nu krijgt de helft van de aanvragers van de commissie het oordeel ‘niet kansrijk’. Hun voorstel wordt niet eens bekeken door onafhankelijke wetenschappers.

Februari 2013. De eerste schifting
Gelukkig. Onze Wageningers zijn door naar de volgende ronde. Alledrie. Maar de blijdschap daarover wordt flink getemperd door het commentaar van de referenten. Niels Verhulst: ‘Je scrollt snel door het document en ziet: de eerste goed, de tweede oké, maar bij de derde zie je dat het mis is. “Ah neeee”, ga je dan.’ De derde beoordeling is in zijn geval een B, wat betekent dat zijn plan ‘goed’ is maar niet ‘zeer goed’ of ‘excellent’. Ik ben nu gewoon kansloos, moppert hij. Toch plant hij meteen een brainstormsessie met collega’s over de vervolgstrategie.

Hoewel financier NWO meer Veni’s is gaan uitdelen stijgt het aantal aanvragers nog veel harder

Bij Broekgaarden is de uitslag nog veel harder aangekomen. Haar eerste referent geeft een UF, wat staat voor: ‘onfinancierbaar’. Haar humeur is direct verpest: ‘Ik was zo geschokt door die UF. Ik heb de rest niet eens gelezen,de maar mijn mail afgesloten en ben naar huis gegaan.’ Een dag later leest ze het commentaar pas. Daarin staat ook goed nieuws. De anonieme beoordelaars vinden haar cv bijvoorbeeld goed. En drie van de vier beoordelaars vinden haar idee interessant. Nummer vier geeft een slechte referentie op grond van kritiek die Broekgaarden afdoet als ‘bizar’. ‘Een pokkeactie’, moppert ze. Haar ‘promotiemaatje’ Erik Poelman denkt dat ze zeker nog kans maakt. Zelf durft ze daar nauwelijks op te hopen. ‘Maar als ik eruit lig,’ verzucht ze uiteindelijk, ‘hoef ik dat interview in ieder geval niet meer te doen.’

Hermans baalt van wat hij als subjectiviteit in de beoordeling beschouwt. Eén referent heeft geen kritiek, maar geeft hem toch geen ‘excellent’. Hermans heeft de pech dat elke beoordeling relatief veel gewicht heeft, omdat hij er maar twee krijgt. ‘Ze waren allebei inhoudelijk best positief,’ zegt hij, ‘maar ik heb een A en een B, terwijl je eigenlijk wel een A+ nodig hebt.’ ‘Mijn kansen zijn niet heel best’, besluit hij, ‘Het wordt kielekiele. Maar ik ben positief ingesteld en hoop eigenlijk dat ik die uitnodiging wel krijg.’

Ook Verhulst worstelt met tegenstrijdig commentaar. Zo roemt een beoordelaar zijn ervaring met natuurlijke geurstoffen, terwijl een ander daar juist expertise vindt missen. ‘Hoe kan het nou zo verschillend zijn?’ zegt hij. ‘Dat is frustrerend.’ Het drietal is dan ook blij dat ze de kans hebben om een en ander recht te zetten met een antwoordbrief. Begin april sturen Verhulst, Hermans en Broekgaarden hun reacties in. Dan volgen weken van nagelbijten terwijl de commissie beslist wie mag komen presenteren.


Frans Hermans (1973), Knowledge, Technology and Innovation

Frans Hermans

CV
Postdoc, Knowledge, Technology and Innovation, WUR, 2011 - heden
PhD-student, Land Dynamics, WUR, 2007 - 2011
Onderzoeker, Telos – Brabants Centrum voor Duurzame Ontwikkeling 2000-2011
Docent, Centrum technologie van duurzame ontwikkeling, TUe, 1999 - 2004
Studie, Technological Development Studies, TUe, 1992 – 1998

HET PROJECT
Iemands woordkeus verraadt al veel over zijn of haar mening. Ieder die over ‘terroristen’ praat, houdt er andere opvattingen op na dan zij die over ‘vrijheidsstrijders’ spreken. In discussies heeft elk kamp, of coalitie, dus zijn eigen taalgebruik, of discours. Hermans wil zulke discoursen gaan volgen binnen het thema duurzame landbouw. ‘Dit is een prachtig onderwerp, omdat het zoveel botsende discoursen bevat,’ zegt Hermans. ‘Als Aalt Dijkhuizen het heeft over duurzame landbouw heeft hij een mondiaal perspectief waarbij hij woorden gebruikt als “voedselzekerheid”.’ Dit contrasteert met boeren (’familiebedrijven’, ‘rentmeesterschap’) en stedelingen (’dierenwelzijn, ‘agrotoerisme’).

DE MENS
Hermans begon pas op zijn 33ste met een (deeltijd)-promotie, naast zijn werk als consultant/onderzoeker. Dat beviel: ‘De wetenschap is geduldiger dan het bedrijfsleven. Je hebt meer de kans om over dingen na te denken en gewoon wat te proberen, zoals je verdiepen in een nieuwe methode.’ Hij zou het liefst verder gaan in de wetenschap. Opvallend genoeg is hij thuis niet de enige die meedingt naar de beurs. ‘Het is grappig, maar mijn vriendin heeft ook een voorstel ingediend. We zitten thuis dus in een - niet al te serieuze - concurrentiestrijd wie het verst komt.’



Mei 2013. De Presentatie

Begin mei ploft het verlossende mailtje in hun inbox. ‘Niet meer verwacht,’ mailt Verhulst, ‘maar ik ben toch uitgenodigd voor een Veni-interview.’ Ook Broekgaarden is door en mag haar plan gaan presenteren. Frans Hermans daarentegen ontvangt slecht nieuws: ‘Ik heb afgelopen vrijdag bericht gehad […] dat ik niet zal worden uitgenodigd,’ schrijft hij. Even later zitten we aan de koffie in de gemeenschappelijke ruimte van zijn vakgroep, waar hij zich gelaten toont. ‘Ik wist dat de kans klein was. Het kwam dus niet helemaal onverwachts. Maar het blijft jammer.’ Hij heeft ondertussen uitgebreid nagedacht over de zwakke punten. ‘Het lukt me niet mijn onderzoek in een regel of twee samen te vatten, dat geeft aan dat het niet genoeg doordacht is. Verder heb ik er misschien te veel mijn eigen hobby in geschreven en niet genoeg gekeken naar wat wetenschappelijk interessant is.’ In de tussentijd heeft hij ook een tegenslag gehad in de privésfeer. Dat relativeert de afwijzing: ‘Je haalt je schouders op en je gaat door.’ Hermans denkt nu na of hij elders een verbeterde versie zal indienen. Volgend jaar mag hij nogmaals naar een Veni meedingen, maar het traject valt dan samen met zijn aflopende contract. Waarschijnlijk gaat hij voor die tijd andere dingen proberen, want hij wil nog steeds het liefst verder in de wetenschap.

Broekgaarden en Verhulst mogen zich ondertussen gaan opmaken voor hun presentaties.Opnieuw wordt dan duidelijk hoeveel tijd en energie gaat zitten in een goede aanvraag – misschien voor niets. Broekgaarden volgt in april een presentatiecursus en traint uitgebreid op haar voordracht. Eind mei oefent ze het praatje in haar eigen vakgroep. Daar volgt een harde reality check, want de presentatie gaat onverwacht slecht. Broekgaarden is er kapot van, en begint opnieuw met aanpassen en oefenen. Een week later houdt ze een tweede oefenronde. In een kleine werkkamer presenteert ze tien minuten lang voor twee collega’s die ze goed kent, professor Ton Bisseling en Henrieke de Ruiter, een beleidsmedewerker die Veni-aanvragers begeleidt. Terwijl ze snoepen van de door Broekgaarden zelfgebakken cupcakes, becommentarieert de groep haar presentatie minutieus. Ook bespreken ze alle mogelijke doemscenario’s, aanvallen en eventualiteiten. Het is eigenlijk best gezellig en achteraf is Broekgaarden vrolijk en vastberaden. ‘Laatst had ik helemaal geen zin meer in de presentatie, maar dat gevoel is verdwenen. Wat mij betreft mogen ze me nu al oproepen.’

Colette Broekgaarden

Een halve week later pakt Broekgaarden de trein naar Utrecht. ‘s Ochtends heeft ze tegen de zenuwen nog een paar baantjes getrokken in het zwembad. In de wachtruimte van het NWO-gebouw in Kanaleneiland zitten lotgenoten: de aanvrager die vóór haar komt en degene die na haar gepland staat. Ze luistert muziek, opnieuw tegen de zenuwen, totdat iemand haar komt halen. In een klein kamertje neemt ze plaats tegenover tien gerenommeerde wetenschappers. De kamer oogt vol en benauwd. Broekgaarden krijgt tien minuten om te presenteren. Ze steekt van wal, terwijl de wetenschappers naar hun laptops staren of haar – al dan niet bewust – met een pokerface aankijken. In het vraaggesprek komen de meeste van de geoefende ‘rampvragen’ niet terug. En voor ze er erg in heeft staat ze weer buiten. ‘Ik stond helemaal te shaken,’ zegt ze, ‘van ontlading, ofzo. Heel vreemd was dat.’ Ze had zichzelf een winkelsessie beloofd als beloning, maar daar komt niet veel van. ‘Ik was gewoon helemaal op.’

Achteraf is Broekgaarden opgewekt. Ze heeft alles uit de kast gehaald. Ook Verhulst komt tevreden naar buiten. Zenuwen heeft hij eigenlijk zelden bij presentaties en in tegenstelling tot vorig jaar verliep alles dit keer vlekkeloos. Hij heeft zich zeker verbeterd ten opzichte van de tegenvallende beoordeling, maar is het genoeg? ‘Ik geef mezelf echt vijftig procent kans,’ beoordeelt Verhulst. ‘Als ik er niet bij zit: het zij zo. Maar het heeft niet aan mij gelegen. Jammer van die ene referent die mij een B gaf.’ Nu de presentaties zijn geweest kunnen de kandidaten niets meer aan hun kansen veranderen. Er zit niets anders op dan zes weken af te wachten. Het is een namiddag, begin juni en opvallend warm. Op een terras vertelt Verhulst over zijn veldwerk in Kenia. Over de Veni praat hij bedachtzaam, hij is blij dat het traject er bijna op zit.

Een beurs aanvragen zorgt voor een hoop onzekerheid. ‘Er komt een hoop emotie bij kijken. Elke keer als het mislukt, hou je er een negatief gevoel aan over.’ Het belastende zit volgens hem niet zozeer in het extra werk maar in de druk die erachter zit: ‘Je weet niet of je je baan houdt.’ Bovendien zou hij graag een meer vastomlijnde, zekere toekomst hebben. ‘Ik ben nu 34, en als ik de Veni krijg geeft me dat drieënhalf jaar extra. Dan ben ik 37-38 jaar. Ik hoop dat ik rond mijn veertigste uitzicht krijg op een vast contract. Hoe lang wil ik dit nog? Ik ga niet tot mijn vijftigste “postdoc hoppen”.’ Bovendien vindt hij het vervelend dat zijn vrouw afhankelijk is van die onzekerheid. Als hij dit keer wordt afgewezen voor de Veni, wil hij nog één beurs proberen. ‘Na drie keer is het mooi geweest. Er gaat zoveel tijd in zitten, nog een keer die hele tombola in. Dan is het tijd om wat nieuws te proberen.’ De laatste tijd kijkt hij uit naar andere banen, binnen en buiten de wetenschap. Hij ziet regelmatig vacatures die hij zichzelf best ziet doen, dat stelt hem enigszins gerust. ‘De wetenschap is ontzettend leuk, maar mocht het niet goed komen dan ligt daar ergens wel een leuke baan te wachten.’

Na drie keer is het mooi geweest. Er gaat zoveel tijd in zitten, nog een keer die hele tombola in…

Broekgaarden, de andere wetenschapper die nog in de race is, herkent de worsteling. Op papier staat ze er goed voor. Ze heeft nog een contract tot oktober 2014 en naast haar mogelijke uitzicht op een Veni is ze in de race voor een functie aan de Radboud Universiteit, waar ze bij de laatste twee zit. Toch is de situatie brozer dan het lijkt. Haar huidige project verloopt moeizaam: de planten zijn om mysterieuze reden niet meer resistent waardoor resultaten uitblijven. Bovendien kan haar contract na 2014 sowieso niet worden verlengd. Mocht ze dan zowel naast de Veni als de baan in Nijmegen grijpen – een plausibel scenario – dan ziet de toekomst er opeens heel ongewis uit. ‘Dan heb ik opeens niets, dat klopt. Misschien moet ik dan wel compleet wat anders doen.’ Ze ziet er niet veel in om dan nog verder te gaan in de wetenschap. ‘Dan zit je weer in al het tijdelijke-contracten-gedoe.’

Juli 2013. De Uitslag

De fase van onzekerheid en afwachten duurt tot midden juli. En dat blijkt niet mee te vallen. Begin juli mailt Verhulst dat hij telefonisch al bij NWO heeft gevist naar de uitslag. Tevergeefs. ‘De spanning neemt wel toe. Vandaag weer over de apen gepraat in onze labmeeting en dan het is het toch vreemd dat je niet weet of je er ooit mee aan de slag gaat.’ Twee weken later komt voor hem dan eindelijk het langverwachte moment. ‘Zeer goed’, was het oordeel van de commissie. ‘De Veni is binnen!’, mailt een ‘blije Niels’. Verhulst mag die dag zelfs zijn verhaal doen op het NOSjournaal. De periode van twijfel, nog maar een paar weken geleden, lijkt alweer een eeuwigheid achter hem te liggen. Hij heeft nu vier jaar zekerheid. Dat is heel wat en hij heeft meteen zijn huis verkocht om een nieuw huis aan te schaffen. Van Broekgaarden komt er ondertussen geen bericht. Eerder viel ze al als laatste af voor de baan in Nijmegen. ‘Een enorme klap’, aangezien ze er al min of meer op rekende. Ze was geknipt voor de baan, alleen vond de commissie de ander nog iets beter. Het slechtste scenario lijkt voor haar uit te komen. De volgende dag ploft er dan toch een mailtje in onze inbox. De tekst luidt simpelweg: ‘I GOT IT!!!!’.


Colette Broekgaarden (1980), Laboratorium voor plantenveredeling

Colette Broekgaarden

CV
Postdoc, Plantenveredeling, WUR, 2008 - heden
PhD-student, Entomologie, WUR, 2004 - 2008
Master Biologie, VU, 2001 - 2004
Bachelor Moleculaire biologie, HU, 1997 - 2001

HET PROJECT
Broekgaarden wil ontdekken hoe bepaalde insecten, in haar geval de wittekoolvlieg, de afweer van planten onderdrukt. De wittevlieg kan zich hierdoor ongeremd vermenigvuldigen en voedingsstoffen ‘stelen’ van de plant. Dit leidt tot grote economische schade. Broekgaarden is benieuwd welke genen de insecten misbruiken en hoe planten zich hier tegen kunnen verweren. Met deze kennis moeten uiteindelijk planten worden geteeld die resistent zijn.

DE MENS
‘Het werk dat ik nu doe, vind ik echt super. Het is nooit saai. Je hebt veel interactie met studenten en kunt er af en toe wat onderwijstaken bij doen. Veder ben je flexibel en heb je veel vrijheid, dus als je iets ontdekt waar je verder mee wil, dan kan dat. Het is niet per se zo dat ik verder wil met wetenschap. Ik wil bijvoorbeeld geen hoogleraar worden, dat is niet echt mijn ambitie. Ik zou het wel heel leuk vinden om leider van een onderzoeksgroep te worden. Ik geniet van de uitdagingen die ik tegenkom, ik wil graag bewijzen dat ik het kan.’


Resource, 29 augustus 2013 (link)